De Zoon, Jezus Christus

Jezus Christus, zijn onderdanige taken

Wat staat er in de Bijbel over JEZUS CHRISTUS?
De naam en titel van de Zoon van God vanaf het tijdstip dat hij tijdens zijn verblijf op aarde gezalfd werd.

Voormenselijk bestaan. Het leven van de persoon die als Jezus Christus bekend kwam te staan, begon niet hier op aarde. Jezus zelf sprak over zijn voormenselijk bestaan in de hemel (Jo 3:13; 6:38, 62; 8:23, 42, 58). Uit Johannes 1:1, 2 blijkt welke naam degene die Jezus werd, in de hemel droeg. Daar staat: „In het begin was het Woord [Gr.: Lo′gos], en het Woord was bij God, en het Woord was een god [„was goddelijk”, AT;Mo; of: „van goddelijke natuur”, Böhmer;Stage]. Deze was in het begin bij God.” Aangezien Zijn Hemelse Vader geen begin heeft gehad (Ps 90:2; Opb 15:3), moet de mededeling dat het Woord vanaf „het begin” bij God was, hier betrekking hebben op het begin van Gods scheppingswerken. Dit wordt bevestigd door andere teksten die Jezus identificeren als „de eerstgeborene van heel de schepping”, „het begin van de schepping door God” (Kol 1:15; Opb 1:1; 3:14). Aldus identificeert de Schrift het Woord (Jezus in zijn voormenselijk bestaan) als Gods eerste schepping, zijn eerstgeboren Zoon.

Geen mede-Schepper. Dat de Zoon een aandeel heeft gehad aan de scheppingswerken, betekent echter niet dat hij daardoor een mede-Schepper met zijn Vader werd. De kracht om te scheppen kwam van God door middel van zijn heilige geest of werkzame kracht (Ge 1:2; Ps 33:6). En aangezien God de Vader de Bron van alle leven is, dankt de gehele bezielde schepping — zowel de zichtbare als de onzichtbare — haar leven aan hem (Ps 36:9). De Zoon was dus geen mede-Schepper, maar veeleer een middel of instrument waarvan de Schepper zich voor zijn werk bediende. Jezus zelf schreef de eer voor de schepping aan God toe, zoals dit in de hele Schrift wordt gedaan. — Mt 19:4-6;

Zijn geboorte op aarde. Voordat Jezus op aarde werd geboren, waren er op deze planeet engelen in mensengedaante verschenen. Blijkbaar materialiseerden zij zich dan in een lichaam dat bij de gelegenheid paste, om zich vervolgens weer te dematerialiseren als zij zo’n toewijzing hadden volbracht (Ge 19:1-3; Re 6:20-22; 13:15-20). Zij bleven dus geestelijke schepselen, daar zij slechts tijdelijk een stoffelijk lichaam aannamen. Maar dit was niet het geval toen Gods Zoon naar de aarde kwam om de mens Jezus te worden. In Johannes 1:14 staat: „Het Woord . . . is vlees geworden en heeft onder ons verblijf gehouden.” Om die reden kon hij zich „de Zoon des mensen” noemen (Jo 1:51; 3:14, 15).

Tijdstip van zijn geboorte, lengte van zijn bediening. Jezus werd klaarblijkelijk in de maand Ethanim (september/oktober) van het jaar 2 v.Chr. geboren, werd in 29 omstreeks dezelfde tijd van het jaar gedoopt en stierf op vrijdag, de veertiende dag van de lentemaand Nisan (maart/april) van het jaar 33 G.T. om ongeveer drie uur ’s middags.

Tijdstip van zijn dood. Jezus Christus stierf in de lente, op de paschadag, dat wil zeggen op 14 Nisan (of Abib) volgens de joodse kalender (Mt 26:2; Jo 13:1-3; Ex 12:1-6; 13:4). Dat jaar viel het Pascha op de zesde dag van de week (door de joden gerekend van zonsondergang op donderdag tot zonsondergang op vrijdag). Dit blijkt duidelijk uit Johannes 19:31, waar wordt gezegd dat de volgende dag „een grote” sabbat was. De dag na het Pascha was altijd een sabbat, ongeacht op welke dag van de week hij viel (Le 23:5-7). Wanneer deze speciale sabbat echter samenviel met de gewone sabbat (de zevende dag van de week), werd die dag „een grote sabbatdag”. Jezus stierf dus op vrijdag 14 Nisan, omstreeks drie uur ’s middags. — Lu 23:44-46.

Zijn doop. Pas toen Jezus zich liet dopen en de heilige geest op hem werd uitgestort, werd hij werkelijk de Messias of Christus, Gods Gezalfde (de engelen gebruikten deze titel bij de aankondiging van zijn geboorte kennelijk in profetische zin, Lu 2:9-11; neem ook nota van vs. 25, 26). Zes maanden lang had Johannes ’de weg bereid’ voor „Gods middel tot redding” (Lu 3:1-6). Jezus, die nu „ongeveer dertig jaar” was, werd gedoopt ondanks de aanvankelijke bezwaren die Johannes uitte omdat hij tot op dat tijdstip uitsluitend berouwvolle zondaars had gedoopt (Mt 3:1, 6, 13-17; Lu 3:21-23). Jezus was echter zonder zonde; zijn doop getuigde dan ook van het feit dat hij zich aanbood om zijn Vaders wil te doen. (Vgl. Heb 10:5-9.) Nadat Jezus ’uit het water opgekomen’ was, en terwijl hij bad, „zag hij de hemelen vaneengaan”, en Gods geest daalde in lichamelijke gedaante gelijk een duif op hem neer. Bovendien werd Jehovah’s stem vanuit de hemel gehoord, die zei: „Gij zijt mijn Zoon, de geliefde; ik heb u goedgekeurd.” — Mt 3:16, 17; Mr 1:9-11; Lu 3:21, 22.

Zijn belangrijke rol in Gods voornemen. Het heeft de Almachtige God goedgedacht zijn eerstgeboren Zoon tot de centrale figuur of de sleutelfiguur te maken in de verwezenlijking van al Zijn voornemens (Jo 1:14-18; Kol 1:18-20; 2:8, 9), tot het brandpunt waarin het licht van alle profetieën zou samenkomen en van waar uit hun licht zou uitstralen (1Pe 1:10-12; Opb 19:10; Jo 1:3-9), tot de oplossing van alle problemen die Satans opstand had opgeworpen (Heb 2:5-9, 14, 15; 1Jo 3:8) en tot het fundament waarop God alle toekomstige regelingen ten behoeve van het eeuwige welzijn van Zijn universele gezin in de hemel en op aarde zou grondvesten (Ef 1:8-10; 2:20; 1Pe 2:4-8). Vanwege de uitermate belangrijke rol die Jezus aldus in Gods voornemen vervult, kon hij terecht en zonder overdrijving zeggen: „Ik ben de weg en de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door bemiddeling van mij.” — Jo 14:6.

Zijn werken en persoonlijke hoedanigheden. Daar „de onverdiende goedheid en de waarheid” beide door bemiddeling van Jezus Christus zouden komen, moest hij zich onder de mensen begeven en hun de gelegenheid geven hem te horen, zijn werken te zien en zijn hoedanigheden te leren kennen. Op die manier zouden zij hem misschien als de Messias herkennen en wanneer hij voor hen als „het Lam Gods” zou sterven, in zijn offer geloven (Jo 1:17, 29). Hij bezocht persoonlijk de vele streken van Palestina en legde honderden kilometers te voet af. Hij sprak met mensen aan zeeoevers en op heuvelhellingen, alsook in steden en dorpen, in synagogen en in de tempel, op marktplaatsen, op straat en in huizen (Mt 5:1, 2; 26:55; Mr 6:53-56; Lu 4:16; 5:1-3; 13:22, 26; 19:5, 6); hij richtte zich tot grote menigten en tot afzonderlijke personen, tot mannen en vrouwen, tot jong en oud, arm en rijk. — Mr 3:7, 8; 4:1; Jo 3:1-3; Mt 14:21; 19:21, 22; 11:4, 5.

Jezus was een harde werker en heeft zijn discipelen daarin een voorbeeld gegeven. Hij stond vroeg op en werkte tot laat in de avond (Lu 21:37, 38; Mr 11:20; 1:32-34; Jo 3:2; 5:17). Meer dan eens bracht hij een hele nacht door in gebed, bijvoorbeeld voordat hij de Bergrede hield (Mt 14:23-25; Lu 6:12–7:10). Bij een andere gelegenheid stond hij, na tot laat in de avond gewerkt te hebben, op terwijl het nog donker was en begaf zich naar een eenzame plaats om te bidden (Mr 1:32, 35). Zijn privacy werd vaak door de scharen verstoord, maar niettemin „ontving [hij] hen vriendelijk en ging tot hen spreken over het koninkrijk Gods” (Lu 9:10, 11; Mr 6:31-34; 7:24-30). Hij raakte vermoeid, kreeg dorst en honger en zag soms van een maaltijd af vanwege het werk dat gedaan moest worden. — Mt 21:18; Jo 4:6, 7, 31-34; vgl. Mt 4:2-4; 8:24, 25.

Diep medegevoel en grote genegenheid. Maar Jezus was ook een man die veel medegevoel bezat — een vereiste om als Gods Hogepriester te kunnen dienen. Zijn volmaaktheid maakte hem niet overkritisch, noch arrogant en neerbuigend (zoals de Farizeeën waren) tegenover de onvolmaakte, met zonden beladen mensen onder wie hij leefde en werkte (Mt 9:10-13; 21:31, 32; Lu 7:36-48; 15:1-32; 18:9-14). Zelfs kinderen voelden zich bij hem op hun gemak, en toen hij een kind als voorbeeld gebruikte, zette hij het niet zo maar voor zijn discipelen neer, maar „sloeg zijn armen eromheen” (Mr 9:36; 10:13-16). Hij betoonde zich een ware vriend en een toegenegen kameraad voor zijn volgelingen, ’die hij tot het einde toe liefhad’ (Jo 13:1; 15:11-15). Hij gebruikte zijn autoriteit niet om veeleisend te zijn en de lasten waaronder het volk gebukt ging nog te verzwaren, maar zei veeleer: „Komt tot mij, allen die zwoegt . . ., en ik zal u verkwikken.” Zijn discipelen ondervonden dat hij „zachtaardig en ootmoedig van hart” was, en dat zijn juk weldadig was en zijn vracht licht. — Mt 11:28-30.

Hij draagt zijn Hemelse Koningschap weer over aan zijn Vader. Jezus geeft zijn tijdelijke taak als Koning weer terug aan zijn Hemelse Vader, zoals als volgt staat vermeld in 1 Kor15:24-28 (Nieuwe Bijbelvertaling: “En dan komt het einde en draagt hij het koningschap over aan God, de Vader, nadat hij alle heerschappij en elke macht en kracht vernietigd heeft. Want hij moet koning zijn totdat ‘God alle vijanden aan zijn voeten heeft gelegd’. De laatste vijand die vernietigd wordt is de dood, want er staat: ‘Hij heeft alles aan zijn voeten gelegd.’ Wanneer er ‘alles’ staat, is dat natuurlijk uitgezonderd degene die alles aan hem onderwerpt. En op het moment dat alles aan hem onderworpen is, zal de Zoon zichzelf onderwerpen aan hem die alles aan hem onderworpen heeft, opdat God over alles en allen zal regeren.”

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

27.05 | 16:38

Bedankt Jan, En Gods woord de Bijbel kan iedereen daar het beste bij helpen. Vooral als je zijn eigen unieke Naam daarbij gebruikt in je persoonlijke gebeden.

...
27.05 | 16:29

Toen ik leerde dat God geen deel van een drie-eenheid is kon ik eindelijk een persoonlijke band met hem opbouwen.”

Een mens openbaart hem zelf.

...
06.04 | 21:56

Bedankt Maurits, De complimenten voor je serieuze zelfonderzoek en bevestiging van de conclusie dat de kerkelijke leer van de Drie-eenheid dus Onbijbels is.

...
06.04 | 21:46

Wat is dit een leuke site zeg!! Ik heb dit ook eindeloos bestudeerd met Jehovah Getuigen en zelf. Mijn conclusie Drie eenheid bestaat niet.

...
Je vindt deze pagina leuk